Werken aan kapitaal
Een greep uit de interventies

Een greep uit de interventies
Het onderzoeksrapport Uit de Duivelskring van Armoede (2020) is opgebouwd rond vijf kapitaalbronnen: Economisch kapitaal, Sociaal kapitaal, Cultureel kapitaal, Pedagogisch kapitaal en Mentaal kapitaal. Daarmee biedt het rapport ons concrete handvatten om armoede vanuit verschillende leefgebieden aan te pakken. De kapitaalbronnen hangen bovendien met elkaar samen. Met het versterken van één kapitaalbron, versterk je indirect ook de andere. Met alle verschillende functies binnen Tintengroep werken we, elk vanuit zijn eigen expertise, aan een of meer kapitaalbronnen. En daarmee direct of indirect ook aan de aanpak van armoede.
In dit hoofdstuk wordt over alle vijf de kapitaalbronnen kort vertelt wat ze inhouden en hoe je ze versterkt. Veel van deze informatie is afkomstig uit Het onderzoeksrapport Uit de Duivelskring van Armoede (2020). Vervolgens laten we per kapitaalbron met een aantal succesvolle interventies vanuit Tintengroep zien hoe je concreet kunt bijdragen aan de kapitaalbronnen. Dit overzicht is ontwikkeld op basis van de inzichten van het profielteam armoede en bevindingen van de studenten die onderzoek hebben gedaan naar de interventies op het gebied van armoede.


Sociaal kapitaal verwijst naar de mate waarin iemand over een netwerk van familie, vrienden, buren, en contacten in onderwijs, werk of vrije tijd beschikt. Mensen met een sterk netwerk kunnen makkelijker een baan vinden en zijn beter verbonden in verschillende omgevingen, zoals het verenigingsleven, maatschappelijke organisaties en lokale politiek.
Er is een duidelijk verband tussen een laag inkomen en het minder vaak kunnen rekenen op hulp van anderen. Mensen die langdurig in armoede verkeren, zijn vaak afhankelijk van hun naaste omgeving en hebben meer te maken met wat we ‘negatief sociaal kapitaal’ noemen. Dit betekent dat hun sociale omgeving eerder een belemmering vormt voor participatie en het verlagen van ambities versterkt.
Het samenbinden van mensen die zich in elkaar herkennen, zoals lotgenoten rondom het thema schulden. Bij bonding versterk of vergroot je de bindingen met de ‘eigen groep’.
Het verbinden met personen buiten de eigen groep van de inwoner. Bridging is essentieel om sociaal te kunnen stijgen.
Inwoners ondersteunen in het vinden van de weg binnen instituties van overheid, wonen, onderwijs, zorg enzovoorts.
Armoede is voor mij het gevoel dat je niet kunt meedoen met de rest van de wereld.

Mentaal kapitaal gaat over het zelfvertrouwen, wilskracht, veerkracht en creativiteit die mensen wel hebben om gebruik te maken van hun talenten, vaardigheden én beperkingen. Met name wanneer mensen met tegenslag in het leven te maken hebben. Armoede heeft negatieve invloed op het vermogen om aandacht op te brengen, de juiste beslissingen te nemen, het vasthouden aan plannen en om verleidingen te weerstaan. Dit wordt de “psychologie van schaarste” genoemd (Mullainathan en Shafir, 2013). De sociale omgeving kan het zelfvertrouwen en de talenten van mensen zowel stimuleren als afbreken. En ook iemands perceptie op zijn of haar kansen op de arbeidsmarkt heeft veel invloed op het al dan niet actief zoeken naar werk.
Op het moment dat je in armoede leeft, ga je er ook naar denken en kijken, ook naar jezelf. Armoede had dus zeker impact op mijn mentaal kapitaal: het gaf enorm veel stress.
Dit zijn bepaalde factoren die in elke interventie bijdragen aan het succes, ongeacht het type behandeling of de doelgroep. Dit zijn de belangrijkste:
Aansluiten bij de motivatie van de inwoner: Zorg dat je inspeelt op wat de inwoner echt beweegt.
Kwaliteit van de relatie tussen inwoner en sociaal werker: Dit omvat een respectvolle benadering, empathie, een niet-veroordelende houding en voldoende tijd voor relatieopbouw. Het vasthouden van de relatie is hierbij belangrijk, bijvoorbeeld door regelmatig contact te onderhouden en een ‘waakvlamfunctie’ te bieden.
Goede structurering van de interventie: Zorg voor een duidelijke doelstelling, planning en fasering van de interventie.
Goede ‘fit’ van de aanpak: De interventie moet goed aansluiten bij het probleem en de hulpvraag van de inwoner.
Uitvoering van de interventie: Zorg ervoor dat de interventie volgens de afgesproken werkwijze wordt uitgevoerd.
Professionaliteit van de sociaal werker: Een goed opgeleide en getrainde sociaal werker is essentieel voor een effectieve interventie.
Goede werkomstandigheden voor de sociaal werker: Dit betekent onder andere een werkbare caseload, voldoende ondersteuning en een veilige werkomgeving

Pedagogisch kapitaal heeft te maken met de kracht van de omgeving waarin een kind opgroeit. Dit omvat de stabiliteit van het gezin, de opvoedingsvaardigheden van ouders en hun vermogen om hulp, ondersteuning en advies te regelen, zowel formeel als informeel.
Langdurige armoede zorgt voor voortdurende stress, wat ouders belemmert in hun rol als opvoeder. Armoede heeft vaak ook een negatieve invloed op de relaties binnen gezinnen wat kan leiden tot spanningen, ruzies, relatiebreuken, opvoedingsproblemen en zelfs huiselijk geweld. Daarnaast speelt het concept van de ‘cultuur van armoede’ een rol: lage verwachtingen en fysieke disciplinaire maatregelen kunnen ervoor zorgen dat armoede van generatie op generatie wordt doorgegeven.
Naast ouders spelen ook andere volwassenen in de omgeving van het kind een rol in de opvoeding, wat we de pedagogische civil society noemen. Helaas kunnen deze volwassenen vaak niet de juiste ondersteuning bieden, doordat kinderen in armoede vaak opgroeien in onveilige buurten met onveilige speelplekken.
Draagt bij aan pedagogisch kapitaal door de signalerende, informerende en adviserende functie en het bieden van sociale en praktische steun. Verder is het versterken van de sociale inbedding van gezinnen van belang door bijvoorbeeld ontmoetingsbijeenkomsten te organiseren waarin ouders onderling opvoedingsvragen en oplossingen kunnen uitwisselen.
Bieden een preventieve rol door vroegtijdig problemen in de opvoedingssituatie, het gedrag en de ontwikkeling van kinderen te signaleren, laagdrempelige ondersteuning te bieden en bij te dragen aan een versterking van beschermende factoren voor kinderen.
Financiële zorgen bij ouders hebben een grote invloed op hoe het met hen [de kinderen] gaat en hoe zij zich voelen.”

Cultureel kapitaal verwijst naar de kennis, normen en vaardigheden die je meekrijgt door je achtergrond, zoals je sociale klasse of opleidingsniveau. Het gaat hierbij onder andere om hoe je je gedraagt, hoe je je kleedt en welke kennis je hebt over verschillende zaken.
In Nederland zijn het vooral de hogere en middenklasse die bepalen 'hoe het hoort'. Hoe meer je beschikt over het cultureel kapitaal van deze groepen, hoe beter je je kunt handhaven in verschillende netwerken, bijdragen aan de samenleving en een goede maatschappelijke positie kunt bereiken. Dit noemen we sociaal functioneren.
In de huidige arbeidsmarkt is cultureel kapitaal belangrijker dan ooit. Het gaat niet alleen om goede startkwalificaties, maar ook om de juiste ‘soft skills’. Deze vaardigheden worden minder vaak aangeleerd als je niet tot de middenklasse of hogere klasse behoort.
We werken vooral in die dorpen dat kinderen hetzelfde willen worden als hun ouders. Het doel van backpack is om kinderen kennis te laten maken met andere sporten, culturele activiteiten en beroepen.
Een vrijwilliger zich gedurende een langere periode verbindt aan een persoon op achterstand (de ‘mentee’) die eveneens op vrijwillige basis aan het project deelneemt. Bij mentoraatsprojecten is er vaak wekelijks contact tussen mentor en mentee. Veel mentoraats-projecten zijn gericht op jongeren, maar niet noodzakelijk.
Wees voorzichtig met uitspraken over mentaliteit. Begrijp, waardeer én benut de onderlinge solidariteit in gemeenschappen waar veel armoede voorkomt. En zie ook de perverse effecten van systemen van bijstand waardoor mensen wellicht langer ‘gevangen’ blijven zitten in uitkeringen dan nodig is.
Overbruggende contacten bieden kennis en inzichten die iemand kan benutten om uit een situatie van armoede te komen.

Economisch kapitaal verwijst naar de financiële middelen die mensen tot hun beschikking hebben, zoals hun huishoudinkomen en vermogen. Voor mensen die in armoede leven, is dit kapitaal vaak beperkt of zelfs negatief, met veelal (problematische) schulden als gevolg.
Voor de doelgroep die te maken heeft met structurele werkloosheid en armoede, is het vinden van werk en het verhogen van inkomen vaak de meest effectieve oplossing. Maar dat is niet altijd het geval. Steeds vaker ontvangen werkenden aan de onderkant van de arbeidsmarkt lage lonen, waardoor ze alsnog niet in hun basisbehoeften kunnen voorzien. Dit worden de 'werkende armen' genoemd. Daarnaast bestaat er een zogenaamde armoedeval: wanneer mensen werk aanvaarden, verliezen ze vaak subsidies en andere inkomensondersteuning, waardoor de toename in arbeidsinkomen niet genoeg is om de eerdere verliezen goed te maken.
Veel mensen in armoede ontwikkelen overlevingsstrategieën, zoals ruilhandel of zwartwerken, wat ook een link heeft met ondermijning. Bovendien kampt een groot deel van de bijstandsgerechtigden met multi-problematiek. Zo geeft de helft van de bijstandsgerechtigden aan ziek te zijn, met name door psychische klachten. Wie eenmaal in de bijstand zit, komt er bovendien vaak moeilijk uit. Hoewel er banen zijn voor minder hoog opgeleiden, kunnen veel bijstandsgerechtigden het fysieke, zware en monotone werk niet aan. En zelfs wie werk vindt, heeft vaak geen zekerheid, aangezien veel van deze banen tijdelijk zijn.
Er ontstaat nu eigenlijk een nieuwe generatiearmoede met mensen die hun hypotheek en energierekening niet kunnen betalen, dit wordt straks nog erger met netwerkkosten die stijgen. Voor de mensen die al in die shit zitten, generatie op generatie komt er weer een klap op. Terwijl ze best potentie hebben en soms met z’n tweeën echt heel hard werken en dan nog niet de armoede kunnen ontstijgen.
Armoede gaat niet alleen over wat je hebt, maar ook over hoe je je voelt – zeker in relatie tot anderen. Armoedebeleid zal dus niet alleen over je bankrekening moeten gaan, maar ook over subjectieve sociale status. Niet enkel over wat je hebt, maar ook over hoe je je voelt. Of zoals het Sociaal en Cultureel Planbureau het onlangs nog uitdrukte: in onze postindustriële klassenstructuur is enkel aan de economische knoppen draaien niet langer voldoende - Jongers, 2023