Spring naar inhoud

Samenwerking en verbinding in de beweging van zorg naar gezondheid

In gesprek over de praktijk van samenwerken

De zorg loopt vast. Huisartsen hebben te weinig tijd. Wachtlijsten in de GGZ groeien. Gemeenten staan onder druk. En ondertussen nemen eenzaamheid, stress, mentale klachten en gezondheidsproblemen toe. Toch ligt de oplossing volgens steeds meer organisaties niet alleen in méér zorg. De echte verandering zit ergens anders: eerder signaleren, meer samenwerken en breder kijken naar gezondheid. Niet alleen de klacht behandelen, maar kijken naar de mens daarachter.

Die beweging, van zorg naar gezondheid, is de afgelopen jaren steeds zichtbaarder geworden. Gemeenten, welzijnsorganisaties, huisartsen, GGZ, zorgverzekeraars en andere partners zoeken elkaar vaker op. Lokaal, maar ook steeds vaker regionaal. Niet omdat het moet voor een project of subsidie maar omdat steeds duidelijker wordt dat niemand deze maatschappelijke opgave alleen kan oplossen.

En juist binnen die ontwikkeling krijgt sociaal werk een steeds belangrijkere plek.

Wat sociaal werkers al jarenlang professioneel en methodisch doen, mensen versterken, verbindingen leggen, gemeenschappen ondersteunen en problemen vroeg signaleren, blijkt niet alleen waardevol maar essentieel voor de toekomst van gezondheid en zorg.

“We moeten het echt anders organiseren”

“Het is eigenlijk een landelijke ontwikkeling,” vertelt Marije van der Woude, beleidsadviseur sociaal domein bij de gemeente Westerkwartier. “We moeten het anders organiseren, anders loopt de zorg compleet vast.”

Die verandering zie je terug in allerlei landelijke akkoorden en programma’s, zoals het Integraal Zorgakkoord (IZA), Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). De gedachte daarachter is steeds dezelfde: gezondheid gaat over meer dan medische zorg alleen. “Gezondheid is niet alleen de afwezigheid van ziekte,” zegt Marije. “Het gaat ook over veerkracht. Over hoe mensen omgaan met wat ze tegenkomen in hun leven.”

Daarmee verschuift de aandacht van behandelen naar versterken. Niet alleen kijken naar wat er misgaat, maar juist naar wat iemand nodig heeft om zo zelfstandig, gezond en prettig mogelijk te leven. En dat vraagt om een andere manier van samenwerken.

Jennifer Bakker, regiocoördinator Welzijn Op Recept

Gezondheid vraagt om een bredere blik

Gezondheid en welzijn zijn niet los van elkaar te zien zijn. De verschillende levensdomeinen hebben direct invloed op hoe mensen zich voelen, functioneren en herstellen. Toch werd daar vanuit verschillende sectoren lange tijd anders naar gekeken.

“Binnen het sociaal werk kijken we eigenlijk altijd al breder dan alleen de hulpvraag,” vertelt Jennifer Bakker. “We kijken naar alle levensdomeinen, naar het netwerk om iemand heen en naar wat er speelt in de buurt of gemeenschap. We werken lokaal en op gemeenschapsniveau. Dat is niet nieuw, dat ís ons werk. Alleen was dat voor samenwerkingspartners niet altijd even zichtbaar.”

Volgens Jennifer zit daar soms een kennisachterstand achter, maar blijkt gaandeweg ook dat het vertrekpunt van professionals verschilt. “Een medisch perspectief richt zich logischerwijs vaak eerst op de klacht of behandeling. Sociaal werk kijkt juist naar de context eromheen. Niet omdat het één beter is dan het ander, maar omdat het elkaar aanvult.”

Juist daarom ontstaan er steeds meer samenwerkingen tussen zorg, welzijn en gemeenten, waarbij breder gekeken wordt naar wat inwoners nodig hebben. Welzijn op Recept is daar een bekend voorbeeld van. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar de medische klacht maar ook naar wat er speelt in het dagelijks leven van iemand.

Waar samenwerking tussen huisartsen en sociaal werk eerder vaak afhankelijk was van persoonlijke en lokale contacten, ontstaan nu steeds vaker structurele afspraken en vaste werkwijzen. Huisartsen, welzijnsorganisaties en gemeenten weten elkaar sneller te vinden en werken steeds meer vanuit gezamenlijke verantwoordelijkheid rondom gezondheid en kwaliteit van leven.

Maartje Kreb en Marije van der Woude

Sociaal werk als onmisbare schakel

Voor sociaal werkers voelt deze ontwikkeling misschien deels vertrouwd. Veel van wat nu onder de noemer “de beweging van zorg naar gezondheid” valt, gebeurt in het sociaal werk al jaren. Toch verandert er iets belangrijks: de waarde van dat werk wordt steeds zichtbaarder voor andere domeinen.

Maartje Kreb houdt zich binnen Tintengroep bezig met regionale samenwerking rondom gezondheid en welzijn. Zij ziet dat sociaal werk steeds nadrukkelijker onderdeel wordt van bredere gezondheidsvraagstukken. “Wat sociaal werkers doen, sluit eigenlijk precies aan bij wat we met deze transformatie willen bereiken,” vertelt ze. “We willen normaliseren en collectiveren en plaats van medicaliseren. Niet alles hoeft meteen specialistische zorg te worden.”

Dat betekent niet dat zorg minder belangrijk wordt. Wel dat beter gekeken wordt welke ondersteuning écht nodig is. Soms is specialistische hulp noodzakelijk. Maar soms helpt het meer wanneer iemand weer aansluiting vindt bij anderen, meer structuur krijgt, actief wordt in de buurt of ondersteuning krijgt bij praktische problemen. “De eerste vraag moet niet altijd zijn: welke behandeling hoort hierbij?” zegt Maartje. “Maar: wat heeft deze persoon nodig om zijn of haar situatie te verbeteren?”

Van individueel naar collectief

Een andere belangrijke verandering is de verschuiving van individueel naar collectief werken. Sociaal werkers zijn van nature vaak al bezig met verbinding tussen mensen. Toch wordt die collectieve aanpak steeds belangrijker gemaakt binnen beleid en samenwerking. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om ontmoetingsgroepen, huiskamers, buurtinitiatieven of projecten waarbij inwoners elkaar ondersteunen.

Maartje noemt als voorbeeld Startkabels: groepen waarin mensen met vergelijkbare ervaringen (zoals jonge moeders, long covid) elkaar ontmoeten en versterken. “Een sociaal werker brengt mensen bij elkaar,” vertelt ze. “En probeert daarna eigenlijk weer los te laten. Het doel is dat mensen elkaar vinden en verder helpen.” Juist dat soort initiatieven kan voorkomen dat problemen groter worden. Want hoe eerder mensen steun ervaren vanuit hun omgeving, hoe kleiner de kans dat problemen verergeren en zwaardere of langduriger zorg of ondersteuning nodig is.

Samenwerken vraagt tijd en vertrouwen

Die nieuwe manier van werken ontstaat niet vanzelf. Samenwerken tussen zorg, welzijn, gemeenten en andere organisaties vraagt om tijd, afstemming en investeren in elkaar. Maar het gaat om meer dan alleen elkaars taal begrijpen, zegt Jennifer. Het vraagt vooral dat je echt openstaat voor andere perspectieven, werkwijzen en belangen. Een huisarts kijkt anders naar een situatie dan een sociaal werker, en een gemeente heeft weer een andere blik. Juist daarin zit soms de uitdaging maar hier slagen we met elkaar ook steeds beter in.

Volgens de geïnterviewden is daarin de afgelopen jaren veel veranderd. Organisaties staan meer open voor elkaars perspectief en zoeken vaker gezamenlijk naar oplossingen.

Dat gebeurt op allerlei niveaus. Lokaal, bijvoorbeeld tussen huisartsen en welzijnscoaches. Maar ook regionaal, waar gemeenten, welzijnsorganisaties, zorgverzekeraars en zorgpartijen samen afspraken maken. “Het vraagt echt om investeren in contact,” vertelt Marije. “Je moet elkaar kennen, elkaar spreken en begrijpen waar elkaars belangen zitten.” En juist daar zit soms ook spanning.

Niet alles past vanzelf in structuren

De beweging richting preventie en gezondheid klinkt logisch, maar botst in de praktijk regelmatig met bestaande structuren. Preventie levert bijvoorbeeld vaak pas op lange termijn iets op. Bovendien is het niet altijd zo dat de organisatie die investeert in preventie daar ook de vruchten van plukt.

“Als gemeenten investeren in welzijn en preventie,” legt Marije uit, “dan komen uiteindelijk misschien minder mensen in het ziekenhuis terecht. Maar de financiële opbrengst daarvan ligt niet bij de gemeente.” Ook wetten, financieringsstromen en verschillende verantwoordelijkheden maken samenwerken soms ingewikkeld. “Als je dingen echt in structuur moet gaan vangen,” zegt ze, “dan wordt het lastig. Want dan komt ook de vraag: wie betaalt wat? Wie draagt welk risico?”

Toch zien de betrokkenen juist daar vooruitgang ontstaan. Niet doordat alle problemen opgelost zijn, maar doordat partijen vaker bereid zijn om samen naar het grotere doel te kijken.

Uiteindelijk wil iedereen hetzelfde

Misschien wel het meest opvallende inzicht uit de samenwerking is dat organisaties uiteindelijk vaak hetzelfde willen. “Dat klinkt als een open deur,” zegt Maartje, “en dat is het voor een deel ook. Maar het perspectief en startpunt van waaruit organisaties werken, of de normen waaraan ze moeten voldoen, verschillen wel. Het is belangrijk dat we nieuwsgierig blijven naar elkaars perspectief en dilemma’s bespreekbaar maken. Samenwerking wordt minder vrijblijvend en dat vraagt niet alleen om andere manieren van samenwerken in de uitvoering, maar ook op het niveau van verantwoordelijkheden, aansturing en gezamenlijke besluitvorming”. 

Of het nu gaat om gemeenten, huisartsen, welzijnsorganisaties, GGZ of zorgverzekeraars: uiteindelijk wil iedereen dat inwoners zo prettig mogelijk kunnen leven. “Je wilt dat mensen veerkrachtig zijn,” zegt ze. “Dat ze mensen om zich heen hebben. Dat ze de juiste ondersteuning krijgen wanneer dat nodig is.” Juist daarom blijft samenwerking zo belangrijk. Want geen enkele organisatie kan dat alleen realiseren.

Wat betekent dit voor onze medewerkers?

Voor medewerkers van Tintengroep en andere welzijnsorganisaties betekent deze ontwikkeling vooral dat hun werk steeds belangrijker wordt binnen het grotere geheel van gezondheid en zorg. De gesprekken die zij voeren. De verbindingen die zij leggen. Het activeren van inwoners. Het versterken van gemeenschappen. Het vroeg signaleren van problemen. Het organiseren van ontmoeting. Dat zijn niet langer “extra” activiteiten naast de zorg. Het zijn essentiële onderdelen geworden van hoe we gezondheid in de toekomst organiseren.

Tegelijkertijd vraagt het ook iets nieuws. Meer samenwerken met andere domeinen. Meer regionaal afstemmen. Meer collectief denken. En soms ook zichtbaar maken wat het werk oplevert. Want de praktijkvoorbeelden zijn belangrijk. Ze laten zien dat investeren in welzijn werkt. Niet alleen voor individuele inwoners, maar voor de samenleving als geheel.

En misschien is dat uiteindelijk wel de kern van deze beweging: gezondheid ontstaat niet alleen in behandelkamers of spreekkamers. Gezondheid ontstaat ook in buurthuizen, op ontmoetingsplekken, tijdens gesprekken, in gemeenschappen en in het dagelijks leven van mensen.

Precies daar waar sociaal werk iedere dag aanwezig is.